Björn Borg praat. Eindelijk

Björn Borg doet na decennia een boekje open: van 11 Grand Slams en McEnroe tot Studio 54, verslaving, prostaatkanker en een late rust in zijn leven.

Björn Borg is folklore. De man met het haarbandje en de Fila-set won elf Grand Slams—zes keer Roland Garros, vijf Wimbledons op rij—en gaf tennis in de jaren zeventig en tachtig een gezicht dat voor het eerst cool was; de sportman als rockster.

Met John McEnroe vormde hij een mythische tegenstelling: Ice Borg versus Amerikaanse opwinding, tot hij, op, of eigenlijk vóór zijn dertigste, opbrandde en stopte. Aan de vooravond van zijn zeventigste verjaardag, wil Borg zijn eigen mythologie bijschrijven. In zijn autobiografie Heartbeats gooit hij “de rugzak” van zich af. “Ik was een gesloten boek,” zegt hij in een interview met The New York Times. De kaft gaat nu open.

De man achter het masker

In de autobiografie vertelt Borg over zijn ouders, partners en kinderen, maar ook over de jaren na 1983, toen hij officieel met tennis brak. Hij raakte de weg kwijt. Pillen, drank, drugs—het leidde tot diepe dalen en twee bijna-doodervaringen in de jaren tachtig en negentig. “Ik had geen team, geen agent die me stuurde. Alles deed ik alleen. En jezelf repareren is het moeilijkst.”
Zijn koele spel verhulde wat er buiten beeld borrelde. De hysterische roem van een sport die plots van stijf klassiek naar popcultuur verschoof, vrat aan hem. “Ik uitte mijn gevoelens nooit. Je zag het op de baan: mijn mond bleef dicht.” Hij typeert zichzelf als tweeslachtig: “Ik ben een Tweeling. Als de één slaapt, gaat de ander uit. De duivel op mijn schouder heeft vaak geprobeerd me te laten vallen.”

Professional avant la lettre

Op de baan was Borg zijn tijd vooruit. Hij lette op voeding en slaap in een tijd dat collega’s daar nog meewarig naar keken. Hij reisde met een fulltime coach, Lennart ‘Labbe’ Bergelin, krijgt sportmassages (destijds revolutionair) en begon al vroeg met meditatie en yoga. 

Naast McEnroe is er Vitas Gerulaitis, de Grieks-Amerikaanse tennisheld die al op veertigjarige leeftijd overleed. Misschien speelde hij wel de belangrijkste bijrol in Borgs verhaal. Via Vitas gaat de deur open naar Studio 54, waar Borg zich tussen de glamour en glitter mengt. Het is een gouden decennium voor tennispersonages; Borg zoekt er nu en dan ontsnapping—en betaalt later de rekening. Spijt dat hij jong stopte heeft hij niet. In een andere tijd—met meer begeleiding en beveiliging, met meer begrip voor mentale belasting—was het misschien anders gelopen. Maar het is goed zo.

Ziekte en nieuwe routine

Twee jaar geleden volgt de diagnose prostaatkanker. In februari 2024 ondergaat hij een levensreddende operatie; de controle in augustus is schoon. Thuis in Stockholm, met zijn derde vrouw Patricia Östfeld (met wie hij het boek samen schreef) en zoon Leo—inmiddels prof—vindt hij een ritme: push-ups, fietsen, elke dag. Veel tijd brengen ze door op Ibiza; een flink deel van Heartbeats ontstaat op Kaapverdië.

Borg volgt het tennis nog op de voet. Hij geniet van de rivaliteit tussen Sinner en Alcaraz, en ziet Ben Shelton en Jack Draper als uitdagers in wording. Soms droomt hij zo levendig dat het bed trilt. De lijnen naar McEnroe en Boris Becker blijven open; zijn vader mist hij “verschrikkelijk”. En Gerulaitis? “Ik heb sterk het gevoel dat hij er nog is, dat hij ziet dat ik eindelijk gelukkig ben.”

In Heartbeats schuift Borg de trofeeën even aan de kant en legt hij de mens op tafel: briljant, kwetsbaar, bij vlagen stuurloos, maar nu—eindelijk—in rustiger water. De legende blijkt geen marmeren beeld, maar iemand die zijn eigen verleden in de ogen durft te kijken.