De 11 cultfilms die elke man moet hebben gezien

We hebben het bij twee usual suspects gehouden die goed te vinden zijn op streamingdiensten. Voor de rest moet je toch echt een ouderwetse dvd of blu-ray kopen om ze te zien.

Deze lijst is onmogelijk om compleet te maken. Zie het vooral als een opzet. Daar komt bij dat het moeilijk te bepalen is, wat precies een cultfilm is. Laten we die definitie vooral houden op: films die vooral later een grote groep toegewijde volgers hebben gekregen. Deze 11 mag je niet missen. Er zijn er nog minstens 111, dus verwacht binnenkort een deel twee.

1. Reservoir Dogs (Quentin Tarantino, 1992)

De film die Quentin Tarantino op de kaart zette. Met een aantal thema’s en acteurs die nog vaak daarna zijn teruggekomen. Leuk detail: de coole zwarte-dassen-zwarte-pakken-witte-shirts-combinatie was sinds deze film weer helemaal en vogue. En dat terwijl (bijna) alle kledingstukken tweedehands waren. Alleen Keitel en Tarantino droegen echt een pak, de rest zijn samengestelde pakken. En zwart waren ze ook al niet – dat lijkt alleen maar zo. Het pak van Harvey Keitel is het enige designpak: Agnès B. De inspiratie voor die stijl was overigens zonder twijfel Tarantino’s liefde voor de Franse Nouvelle Vague films.

2. Boondock Saints (Troy Duffy, 1999)

Met een budget van slechts zeven miljoen dollar moet je met een goed idee komen om de film te laten werken. Dat idee heet in dit geval: Willem Dafoe. Zijn rol als FBI-agent Paul Schmecker is ronduit briljant, met Dafoe op zijn eigen onnavolgbare best. Zijn poëtische manier om z’n detective-werk te doen staat in prachtig contrast met de enorme hoeveelheid expliciet en grof geweld die twee Ierse broers op een missie van god en de Russische maffia elkaar aandoen.

De film werd matig ontvangen door critici, maar kreeg daarna een gigantische cult-following: de inkomsten uit video-verkopen liep op tot meer dan $50 miljoen.

3. Vanishing Point (Richard C. Sarafian, 1971)

Er zit een onmiskenbare romantiek in een eenzame rijder in een witte Dodge Challenger die in zijn eentje een complete politiemacht te slim af is. Kowalski moet een auto van Chicago naar Denver brengen, maar doet dat op zo’n compromisloze en roekeloze manier dat de politie hem koste wat het kost moet vangen. De roadtrip die volgt is geweldig.

4. The Wild One (Lásló Benedek, 1953)

De film die Marlon Brando definitief vestigde als tieneridool voor de rebelse jongeren van de jaren vijftig en zestig. Het verhaal speelt zich af in een slaperig Amerikaans stadje dat bezocht wordt door de losbandige Black Rebels Motorcycle Club. De pest breekt daarna pas echt uit wanneer er een rivaliserende bende langskomt. De rebelse antiheld werd vereeuwigd door de woorden: ‘What are you rebelling against, Johnny?’ Met als antwoord: ‘what do you got?’

5. Easy Rider (Dennis Hopper, 1969)

Hij kostte naar verluidt nog geen half miljoen dollar, maar leverde een veelvoud van dat bedrag uit. Easy Rider was de film voor een nieuwe generatie, gemaakt door een nieuwe generatie.

De film volgt een paar hippies die op hun motor door de VS trekken. Ze maken onderweg van alles mee, waarvan vooral de LSD-trip-scene op een begraafplaats in New Orleans misschien wel hun meest typische avontuur is. De film-opnames waren rommelig, de belangrijkste personen hadden vrij vaak ruzie met elkaar en er was geen script, en toch was het eindresultaat een van de meest iconische films aller tijden.

6. This is Spinal Tap (Rob Reiner, 1984)

These go to eleven.’ Iedereen die Spinal Tap ooit heeft gezien, kent deze iconische oneliner. Deze mockumentary van de niet bestaande band Spinal Tap werd gemaakt als een persiflage op alle poedel-rock-bands van de jaren tachtig (denk: spandex broekjes, big hair en overdadig vette gitaarrifs).

De film volgt een interviewer (Rob Reiner) die on the road moet met de band die bestaat uit niet al te snuggere jongens die teveel geld verdienen met niet al te hoogstaande muziek. De film bevat dan ook veel satire op het wilde gedrag van hardrockbands. De (Amerikaanse) acteurs praten met semi-Britse accenten. Bijzonder grappig – moet je zeker zien met een paar biertjes op.

7. The French Connection (William Friedkin, 1971)

Gene Hackman als de bikkelharde maar goede politie-agent die probeert de meest duistere New Yorkse buurten van drugs te ontdoen. Het verhaal werd gebaseerd op The French Connection: A True Account of Cops, Narcotics, and International Conspiracy, een waargebeurd verhaal van Robin Moore.

De rechercheurs proberen een flinke lading heroïne te onderscheppen die binnen moet komen uit Frankrijk. De bikkelharde Hackman maakte niet alleen het pork pie hoedje hiermee legendarisch, maar ook zichzelf: de film lanceerde zijn carrière.

8. The Ususal Suspects (Bryan Singer, 1995)

Twee Oscars sleepte deze a-typische misdaadfilm binnen, waaronder uit-er-aard één voor de rol van Kevin Spacey. De bezoekers van IMDB kozen de plot-twist aan het einde van deze film tot de beste aller tijden – en ook dat is uiteraard helemaal terecht.

Een bloedbad in een haven voor een overval zonder dope leidt ertoe dat vijf draaideurcriminelen worden opgepakt en bij elkaar gezet. De politie ondervraagt probeert de waarheid te achterhalen, maar… die blijkt heel wat listiger dan gehoopt.

9. The Great Escape (John Sturges, 1963)

Geweldig omdat het één van de beste rollen van Steve McQueen is, maar vooral door de achtergrond van het verhaal. The Great Escape is namelijk het waargebeurde verhaal van piloten die krijgsgevangen zijn genomen in een Duits kamp tijdens de Tweede Wereldoorlog. De vliegers (waarvan één Nederlander) graven tunnels onder het kamp door met als uiteindelijk doel: vrijheid.

10. À bout de souffle (Jean-Luc Goddard, 1960)

Oftewel á bout de souffle. Een van de eerste (en waarschijnlijk meest invloedrijke) nouvelle vague films. Jean-Paul Belmondo speelt een charmante crimineel die een beetje rondhangt in prachtig Parijs en het daar aanlegt met een al even charmant Amerikaans krantenverkoopmeisje.

Afgezien van de stijlvolste pyjama in de filmgeschiedenis geeft deze film ons een prachtig gefilmde inkijk in wat misschien wel het meest geromantiseerde je-ne-sais-quoi-leven ooit is.

11. Leaving Las Vegas (Mike Figgis, 1995)

Werkelijk alles aan dit project had moeten leiden tot een pulpfilm. Laag budget, alles op 16mm gefilmd, een boozy boek als leidraad…En toch werd het een geweldige film. Dit zou zomaar eens de beste acteerprestatie kunnen zijn van Nicholas Cage. Hij speelt zeer geloofwaardig een goedaardige alcoholist die besluit om zichzelf dood te zuipen in Las Vegas.

Dat leidt tot een romance (Elisabeth Shue), een geweldige reeks drankscènes en uiteraard… Heel veel dramatiek.